De Amsterdamse Krant

4 februari 2017

De Amsterdamse Krant 4 februari 2017


'We maakten de blits in onze Buggy, maar seks lukte niet'

Op onze oproep om artikelen over de Buggy kregen we weer een aantal mooie reacties.

Hanneke en Henk Hommerson stuurden een foto van hun trouwfoto in de Buggy. "De foto is gemaakt op onze trouwdag, 4 oktober 1971. De Buggy was van de fotograaf die de fotoreportage heeft gemaakt van onze trouwdag. In die tijd was een Buggy heel bijzonder." Dat we het maar weten. En een trouwpartij in een Buggy was dubbel bijzonder; of misschien zelfs uniek.

Jan-Hendrik Pietersen stuurde de volgende bijdrage:
"Het moet in 1970 of net 1971 geweest zijn dat wij voor een niet groot bedrag een Ruska Buggy kochten. Of eerlijk: het was een bouwpakket van een Ruska Buggy. De prijs weet ik niet meer - ik las in de Amsterdamse Krant 1500 gulden en dat kan best – en dan moest je hem helemaal zelf in elkaar zetten. Ook las ik dat je voor 3950 gulden een complete Buggy kon kopen, kant-en-klaar dus, maar het werd gezien ons beperkte budget zelf bouwen."

Henk

"Dat zelf bouwen was in mijn geval eigenlijk: laten bouwen door mijn broer Henk. Henk had z'n hele leven aan brommertjes zitten klooien en was de techneut van ons beiden. Ik reikte hem de spullen maar aan, want iemand moest dat toch doen. Het bouwpakket hebben we zelf afgehaald bij Ruska Buggy in de Jordaan. Veel stelde het allemaal niet voor. Een VW Kevermotor, een set stevige buizen, een soort opbouw voor een cabrio (want dat was een Buggy) die met een paar parkers in elkaar moesten worden geschroefd, twee kuipstoelen, een stuur, pedalen, lampen die eruitzagen als kikkerogen en een dashboardje van niks. Ik kan me niet herinneren hoe lang we – Henk dus – ermee bezig zijn geweest in onze kleine garage in Diemen. Maar lang zal het niet geweest zijn, anders had ik het wel geweten. En ik had het ook geweten als het bloed, zweet en tranen was geweest, maar dat was ook niet het geval. Ik kan het me althans niet herinneren."

Koning te rijk

"Wel weet ik dat we de koning te rijk waren met die blitse Buggy. Het was een vuurrode met een paar witte strepen erop en als het regende moest je er niet mee de weg op, want een dak had het ding niet. Maar bij mooi weer reden we trots als een pauw door het dorp Diemen en vooral door de stad Amsterdam. In Diemen had je destijds discotheek Dee die regelmatig een instuif (bestaat dat woord nog?) in de alweer verloren gegane kerk de Schuilplaats aan de Prinses Beatrixlaan. Op een mooie zaterdagavond kwamen wij aanrijden en we hadden meteen veel bekijks van een paar meiden. Natuurlijk kwam dat door de Buggy, want zo knap waren we nou ook weer niet. Trouwens, iedereen zag er destijds hetzelfde uit: spijkerjackie met in de borstzak shag, lang haar, een snor en bakkebaarden, dus we moesten wel opvallen door de Buggy. En dat gebeurde."

Niet plat leggen

"Later heb ik nog met een meisje geprobeerd seks te hebben in de Buggy. Dat ging helemaal niet, want die stoelen zaten best prima, maar plat leggen kon je ze niet; die stoelen dan. Het was niet meer dan een beetje gefrunnik. Ook leuk trouwens."
"We hebben de Buggy voor ons gevoel helemaal afgereden. Onderhoud pleegden we – alweer Henk - zelf wel en het ding slokte heel veel olie op. En benzine, want zo'n VW Kever-motor lustte een beste slok, om het zomaar even te duiden."

Geparadeerd

"De Buggy hebben we toen de gein eraf was verkocht. Een nog jongere jongen dan wij kocht de auto en reed er lachend de Linnaeusparkweg mee uit, want daar woonden wij inmiddels. Ongetwijfeld heeft de nieuwe eigenaar er net als wij mee geparadeerd en de blits gemaakt."
"Tot slot nog dit: naar aanleiding van jullie oproep ben ik eens gaan googelen en het blijkt dat een VW Ruska Buggy momenteel zomaar een mille of zeven, acht waard is en ik zie ook exemplaren van tienduizend euro. Het zou dus ook een mooie belegging zijn geweest, maar dat hebben wij er nooit in gezien."

Leidseplein

Het Leidseplein ligt open en in 2020 moet de opknapbeurt zijn afgerond. Het project kost 60 miljoen euro.
Het is niet de eerste keer dat het Leidseplein overhoop gaat. In februari 1977, exact 40 jaar geleden, nam de gemeenteraad een besluit over de toekomst van het Leidseplein.
Hetgeen voor ons aanleiding is verhalen te vragen over uw herinneringen aan het Leidseplein. Heeft u er gezeten, gewerkt, gevreeën, gestapt, gegeten of wat dan ook en wilt u die verhalen (natuurlijk wel van vroeger) graag delen? Wij zitten er klaar voor om ze te bewerken.
Uw bijdrage kunt u sturen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Nieuwe raadplaat

Aan de ene kant maken we het deze keer lastig, aan de andere kant ook weer niet. Deze foto van deze statige villa is gemaakt rond de vorige eeuwwisseling en inmiddels staan er huizen omheen en loopt er een drukke straat voorlangs. Dat maakt het lastig. Aan de andere kant heeft deze villa een geweldige geschiedenis en, zoals gezegd, het huis bestaat nog steeds, maar ziet er wel anders uit. Kortom: ga er maar aan staan.
Uw oplossingen kunt u sturen naar info@amsterdamsekrant.nl. We zijn benieuwd naar de oplossingen en vooral uw mooie verhalen, want die moeten er zijn.

Feike de Boer was een harde werker

Personalia

Feike de Boer was een van de kortst zittende burgemeesters, namelijk van 7 mei 1945 tot 1 maart 1946. Hij bekleedde het ambt dus 'slechts' 10 maanden, maar wel heel belangrijke maanden voor de stad. Feike de Boer kwam uit het Friese Goingarijp, waar hij op 17 januari 1892 werd geboren. Zijn vader was het Tweede Kamerlid Rients Feike de Boer. Feike de Boer zelf was aanvankelijk marineman, maar stapte over naar de koopvaardij. Eerst werd hij onderdirecteur bij de SMN in Batavia en in 1934 werd hij directeur. Vervolgens werd hij directeur van de SMN in Amsterdam.
Hij was gehuwd met een Deense, Aagot Verstesen. Ze kregen twee dochters. Zijn vrouw overleed kort na hun 40-jarig huwelijksjubileum. Twee jaar daarna, in 1962, trouwde hij op 70-jarige leeftijd met zijn tweede vrouw, Helene Kettner. Op 15 augustus 1976 overleed hij in Amsterdam.

Waarom De Boer?

Reeds tijdens de oorlog werd nagedacht over een opvolger van burgemeester Voûte, want het was duidelijk dat deze collaborateur na het einde van de oorlog het veld zou moeten ruimen. De regering in Londen wilde ervoor zorgen dat Nederland klaar was voor de bevrijding en dat er snel nieuwe bestuurders en andere gezaghebbers konden worden aangesteld. Daarvoor was een College van Vertrouwensmannen gevormd, dat zich ook bezighield met het burgemeesterschap van Amsterdam. Deze commissie kwam met de directeur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN), Feike de Boer, op de proppen. Ze kenden De Boer, want hij was als directeur van de SMN reeds voor het einde van de oorlog betrokken bij geheim overleg over het herstel na de oorlog. Daarbij kwam ook de vraag aan de orde wie dan de opvolger moest worden van Voûte.

Tegen de wil

De regering gaf echter de voorkeur aan de oud-directeur van de Nederlandse Spoorwegen, Prof. dr. J. Goudriaan, en benoemde deze, zelfs tegen de wil van de vertrouwensmannen in. Maar omdat Goudriaan inmiddels vertrokken was naar bevrijd gebied kon hij niet in functie treden en kwam Feike de Boer weer in beeld. Hij stond niet meteen te springen. De Boer wilde graag aan de slag met het herstel van de haven, maar de benoemingscommissie wist hem toch over te halen om tijdelijk het burgemeesterschap op zich te nemen. De voorkeur voor hem had vooral te maken met de noodzaak om zo snel mogelijk te zorgen voor economisch herstel via wederopbouw. Dat wilde hij bereiken door van de Amsterdamse haven een doorvoerhaven te maken. Maar ook zijn goede relatie met belangrijke sociaaldemocraten, waaronder oud-wethouder Franke, speelde een rol.
De Boer werd benoemd als burgemeester 'met den titel van voorlopig regeerings commissaris' en was daarmee feitelijk de opvolger van Willem de Vlugt, want Voûte was niet officieel als burgemeester beëdigd.

Algemene kenmerken van De Boer en belangrijke gebeurtenissen tijdens ambtsperiode

De Boer was een harde werker die heel sterk was in het creëren van draagvlak voor de belangrijke beslissingen die hij wilde nemen. Hij stond erom bekend dat hij vele talen beheerste; naast het Frans, Duits en Engels kon hij ook uit de voeten met Maleis, Italiaans, Noors, Zweeds en Deens. En de laatste kwam goed van pas in zijn huwelijk met zijn eerste vrouw, een Deense.
Hij was lid van de liberale staatspartij de Vrijheidsbond en enige tijd actief in de Nederlandse Unie. Bij de herdenking van de Februaristaking in 1946 ontving De Boer van koningin Wilhelmina de toevoeging van het devies 'Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig' aan het wapen van de stad. De Koningin was zelf daarvoor naar Amsterdam gekomen. Ze bleef wel het grootste deel van de plechtigheid in de auto zitten.

Wetenswaardigheden

Een van zijn eerste daden was de Euterpestraat voortaan Gerrit van der Veenstraat te laten heten, ter nagedachtenis aan deze Amsterdamse beeldhouwer die in het verzet zat en door de bezetters was vermoord.
De Boer was belangrijk voor het herstel van de haven en Schiphol. Hij was een belangrijk pleitbezorger voor het voltooien van de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal, om zo zijn visie over de doorvoerhaven gestalte te kunnen geven. Daarmee boekte hij succes, want begin 1946 deed de regering hieromtrent een toezegging.
Toen in 1946 de scheepvaart weer op eigen benen kwam te staan - tot die tijd had de regering het gezag overgenomen - keerde de Boer weer terug naar zijn geliefde SMN. Hij bekleedde daarnaast vele havengerelateerde functies en commissariaten en was ook directeur van de NDSM.

Ambtswoning

De Boer woonde niet in de ambtswoning vanwege de tijdelijkheid van het burgemeesterschap.

Andere bestuurders en opvolger

Feike de Boer kende Bernard Franke die van 1939 tot 1941 wethouder in Amsterdam was. Daarom benaderde hij hem om meteen na de oorlog weer wethouder te worden en wel voor de belangrijke portefeuille Arbeidszaken. Franke zou dat tot 1951 blijven. De straat waar hij woonde, de Nieuweweg, een zijstraat van de Middenweg in de Watergraafsmeer, werd in 1956 naar hem vernoemd.
De andere wethouders die met Feike de Boer het dagelijks bestuur van de stad vormden, waren J. Bommer (Volkshuisvesting), mr. K. Jansma (Onderwijs), mr. W. Schokking (Openbare Gezondheid) en F. van Wijk (Sociale Zaken).
Pas vijf maanden na zijn vertrek werd er een opvolger voor De Boer benoemd, namelijk Arnold d'Ailly. In de tussentijd werd het ambt waargenomen door wethouder Franke.

De burgemeesters van Amsterdam (5): Feike de Boer

Adrie de Koning en Jos en Frits Mol zijn de auteurs van de rubriek 'Burgemeesters van Amsterdam'. Wij hebben hen de afgelopen jaren leren kennen als grote kenners van de geschiedenis van Amsterdam, hetgeen zich heeft geuit in de series 'Dit komt nooit meer terug' (over allerlei zaken die vroeger zo normaal waren in het Amsterdamse straatbeeld, maar inmiddels van het toneel zijn verdwenen), daarna 'Verdwenen kinderspelen' en vervolgens 'Amsterdamse hofjes'.
In 'Burgemeesters van Amsterdam' worden niet alle Amsterdamse burgervaders uit de loop der eeuwen behandeld, maar alleen de burgemeesters uit de vorige en deze eeuw, want daar zullen Amsterdammers en oud-Amsterdammers herinneringen aan hebben. En misschien weten lezers iets over hen te vertellen. In totaal gaat het om twaalf burgemeesters die in de collage op deze pagina zijn verwerkt. Het zijn de vooroorlogse burgemeesters Tellegen en De Vlugt, de tijdens de oorlog aangestelde Voûte en de naoorlogse De Boer, D'Ailly, Van Hall, Samkalden, Polak, Van Thijn, Patijn, Cohen en Van der Laan.

Getver, het is een kerel

Bureau Warmoesstraat in de jaren 30.

door Piet Middelkoop


Het havengebouw achter het Centraal Station was vroeger een beruchte 'afwerkplek' waar zo op het oog alleen maar vrouwelijke hoeren werkzaam waren.
Op het oog vrouwelijke hoeren, omdat wij onze pappenheimers wel kenden in de loop der tijd.
Vrouwen die daar liepen die zo op het eerste oog er redelijk vrouwelijk uitzagen, maar waarvan wij wisten dat het mannen waren.
Complete mannen, maar ook mannen met 'echte' borsten en een mannelijk geslachtsdeel. Al deze hoertjes verdienden bij het havengebouw oraal hun dagelijkse noodzaak.

Vrouwelijke kleren

Een van hen, Karel in zijn paspoort en Charlotte voor zijn vrienden, liep regelmatig op de Zeedijk, gehuld in vrouwelijke kleren. Karel werd een keer aangehouden voor drugsbezit en werd voorgeleid aan het bureau. Toen Karel binnen werd gebracht ontstond al gauw het volgende plan:
Karel zag er behoorlijk Charlotte-achtig uit. Een bontjas, een bontmuts en bont gedrapeerd over zijn onderbenen, zodat het er uitzag alsof hij brede bontlaarsjes droeg. Karel was in de loop der tijden al behoorlijk afgetakeld en dat was hem als Charlotte ook aardig af te zien.
Omdat hij was voorgeleid voor de Opiumwet, moest hij in het fouilleringshok gepeld worden. Alle opiumverdachten werden daar tot in hun blote kont gefouilleerd om er zeker van te zijn dat er geen shotjes verstopt waren op het lichaam.

Getver, het is een kerel

De nieuwste vrouwelijke collega aan het bureau viel dan ook de beurt ten deel om deze vrouwelijke verdachte te fouilleren. Op het moment dat zij het hok in ging, werd het al drukker bij de deur van het fouilleerhok, en ja hoor, het was even wachten, maar met een luide gil en een knetterende vloek kwam 'de aap uit de mouw', zullen we maar zeggen. "Getver, het is een kerel…!"
Op het moment dat dit geroepen werd, maakten de mannelijke collega's zich uit de voeten, want eigenlijk wilde niemand dit klusje klaren. Ook ik probeerde seminonchalant de wcdt-ruimte te verlaten. Echter, met luide stem werd geroepen: "Middelkoop, wil jij deze verdachte even fouilleren!"

Met handschoenen aan stond ik dan in het hok met Karel: "Ja, doe je bh'tje maar uit en til je borstjes even omhoog." De rest laat ik aan jullie verbeelding over.

Uit is uit

door Theo Everse

Tijdens een autosurveillance kregen mijn maat en ik van de meldkamer de opdracht te gaan naar een adres aan de Prinsengracht waar een twist gaande was. Toen wij enkele minuten later ter plaatse kwamen, troffen wij voor de deur van een groot grachtenpand een magere, hevig snikkende man aan.
Naast hem stond een koffer op straat. Langs de randen van de koffer staken gedeelten van kledingstukken uit.

Met betraande ogen en al stotterend kwam het verhaal eruit. "Ik woon al enkele maanden samen met hem, die ploert. Het pand is van hem. Hij heeft het uitgemaakt en mij eruitgegooid. Ik snap echt niet waarom. De schoft is nog binnen. Ik kan nergens naartoe."

Nieuwsgierig

De man was niet tot bedaren te brengen, maar had ons wel nieuwsgierig gemaakt. Om ook, ahem, het verhaal van de andere kant aan te horen gingen wij hierop het pand binnen. Wij verzochten de huilende man wel om op straat te blijven wachten. Het was een enorm pand, voorzien van marmeren vloeren, kristallen kroonluchters, veel antiek en noem maar op. Op ons roepen hoorden wij ergens in de verte: "Ik ben hier, ik ben hier, komt u maar."

Het geroep bleek uit een van de slaapkamers te komen. Je gelooft het niet: toen wij de slaapkamer binnenliepen zagen wij langs de achterwand, in het schemerdonker, een enorm groot hemelbed staan.

Ophoepelen

Het bed was bekleed met een donkerblauw satijnen dekbedovertrek en midden op het bed lag een kalende veertiger met ontbloot, behaard bovenlijf en de armen over elkaar gekruist. Je kon aan een bepaalde plaats in het satijnen overtrek zien dat de man enigszins opgewonden was. De situatie was zo komisch dat wij ons lachen met moeite konden inhouden. Op onze vraag wat er aan de hand was, verklaarde de man dat hij de verhouding met de magere man had uitgemaakt. Die idioot moest maar ophoepelen, weg uit zijn huis.
Hierna vroegen wij de man waar zijn ex dan naartoe moest, hij had geen onderdak meer.
De man in bed sprak hierop de woorden die ik tot op heden niet vergeten ben: "Uit is uit!"

Ons restte niets anders dan de magere man weg te sturen.

'Bakfiets rijden was bepaald geen luxe'

In elke editie van de Amsterdamse Krant publiceren we de raadplaat, waarbij we de lezers laten raden waar foto's uit de collectie van Simon Blokland, foto's die lezers hebben ingestuurd of foto's die we ergens zijn tegengekomen, zijn gemaakt. Voor een groeiend aantal trouwe lezers is het inmiddels een leuk tijdverdrijf. Soms zijn de foto's makkelijk, soms moeilijk, maar over het algemeen krijgen we veel inzendingen. Deze keer ging het om een karren- en fietsenverhuurbedrijf in de Marco Polostraat, ingestuurd door Piet Delsen.

Piet Delsen laat zelf weten dat de foto voor hem symbool staat voor een prachtkindertijd: "Deze raadplaat lag voor mij als kind in de fijnste buurt van Amsterdam. Op de hoek was Café Beekman (foto), om de hoek de Jan Eef, vol met winkels, aan het eind van de straat de Jan van Galenstraat met het Jan van Galenpark, aan het eind van de Jan van Galenstraat het openlucht-Jan van Galenbad. Even verder in de Jan Eef was het ijs- en patatparadijs Marja en scholen, van kleuterschool tot lts, waren op loopafstand.

Achter het Jan van Galenbad lag het Hoofdwegland, dat nu Slotermeer en Slotervaart is. Het terrein lag braak tot de Ringdijk met het niet afgemaakte spoortraject. Daar waren ook bunkers waar we inkropen. Dat was wel eng, want het was er pikdonker."

Boek schrijven

"Och, ik kan een boek schrijven over wat ik als kind allemaal heb beleefd in deze buurt. Ik zal nu schrijven wat ik heb meegemaakt om de hoek van de raadplaat, voor Café Beekman. Ik was een jaar of vijftien en liep daar met mijn vriendje. Opeens zag ik een jongeman ons tegemoet komen met een zogenoemd Errol Flynn-baardje, met zo'n streepje over de kin. Het viel mij op dat de man wat scheef liep en ik maakte mijn vriendje daar opmerkzaam op. Dat werd opgemerkt door de man. Deze kwam recht op mij af en ging voor me staan. Ik keek nog eens goed of het streepje inderdaad scheef stond, maar ik zag in een flits de vuist van de man op mij afkomen. Ik dook opzij, maar mijn vriendje die achter mij stond en van de prins geen kwaad wist, kreeg de vuist vol op zijn mond, waarna hij hevig bloedend op de grond viel. De man mompelde nog wat verwensingen naar mij en ging ervandoor. Er zijn nog een ziekenwagen en politie bij geweest en mijn vriend heeft er een flink litteken op zijn lip aan overgehouden, helaas."

Verder zijn er naast Piet, die we bedanken voor zijn foto, zijn andere foto van Café Beekman en natuurlijk zijn verhaal, veel vaste klanten. We beginnen met Mike Man: "Zo veel tijd als het vinden van de vorige raadplaat mij kostte, zo veel minder vergde deze. Opnieuw heeft het menselijk brein mij verbaasd: kennelijk staan vele stadsgezichten op een soort floppy en blijkt het mogelijk op zijn tijd het juiste luikje open te maken."

Garagebox

"Ook nu gaf het buurtbeeld de doorslag; het eerste dat in mij opkwam was Oud-West en dat bleek na controle correct: de raadplaat toont de Marco Polostraat gezien in de richting van de Jan Evertsenstraat. De wijk werd midden twintiger jaren van de vorige eeuw gebouwd, een datering van de foto lijkt mij rond de Tweede Wereldoorlog. De karrenverhuur van Smit is thans een garagebox, de kapsalon en het café zijn samengevoegd en bieden nu plaats aan een restaurant."

Voor de foto?

Gielijn Escher heeft het ook, zoals gewoonlijk, bij het rechte eind: "De oplossing is Marco Polostraat 228-232/hoek Jan Evertsenstraat. De foto dateer ik ergens rond 1930. Geen auto te bekennen! De firma Smit kon kennelijk de openbare weg helemaal vol zetten met zijn negotie. Of was dit slechts speciaal voor de foto? Van tijd tot tijd kom ik in deze buurt, maar ook nu heb ik geen speciale herinneringen."

Touw en blok

De Mollen en de Koningen hadden de karrenhandel snel gevonden. "Deze zit in de Marco Polostraat 232 vlak bij Café Billiard Beekman, die op de hoek van de Jan Evertsenstraat zat. Maar verder kennen wij de karrenhandel niet, want de Mollen en Koningen kwamen uit het oostelijk deel van de stad. Daar zat een dergelijke verhuurderij in de Linnaeusdwarsstraat, in de volksmond bekend als de Hibsekrib. Ook bij de Dappermarkt in de Commelinstraat of de Von Zesenstraat zat zo'n bedrijf waar je voor je verhuizing niet alleen een bakfiets, maar ook 'touw en blok' kon huren."

Nooit een kar gehuurd

Anneke Huijser raadt ook weer mee, en goed: "Jaaa, ik heb hem na even zoeken gevonden op de Beeldbank. De karrenverhuurderij was in de Marco Polostraat! Meer weet ik er niet over, want ik heb er nooit een kar gehuurd."

Bakker

En Piet Veenboer laat weten: "Beste mensen, volgens mij was deze verhuurder gevestigd op het kruispunt Postjesweg/Hoofdweg. Deze persoon verhuurde toen handkarren, maar heeft volgens mij na de oorlogsjaren nog vele auto's verhuurd, ik meen onder de naam Bakker. Het resultaat merk ik wel."
Piet Veenboer komt onder aan dit artikel in het stukje over de Dominicusschool nog terug.

"Marco Polostraat/hoek Jan Evertsenstraat", meldt Ruud IJzerdraat kort en bondig.

Speurwerk

Job Heus: "Ondanks dat ik niet uit deze kant van Amsterdam vandaan kom en het wat speurwerk was, maar dat werd door de bakfietsverhuur weer makkelijker gemaakt, kom ik uit op de Marco Polostraat 232."

Even zoeken

"Goedemorgen", begint H. van Elteren vrolijk als altijd. "Ja, dat was even zoeken, maar wel leuk. Moet in een oude buurt zijn en waarschijnlijk vlak bij een markt vanwege de vele bakfietsen. De hoge lantaarnpaal links verraadt dat daar een straat moet zijn waar een tram rijdt. Maar daar vlak naast lijkt wel een garage-ingang, wat toch erg ongebruikelijk is voor die tijd. Eerst even bij de Linnaeusstraat gezocht, maar daar zijn toch een andere stijl huizen. Op naar de Kinkerstraat en Jan Evertsenstraat, mijn oude buurtje. Daar was het snel gevonden: Marco Polostraat/hoek Jan Evertsestraat. De 'garage-ingang' blijkt een onderdoorgang van een uitgebouwd pand, heel apart."

Geen verhalen

Maaike de Graaf weet het ook: "Dit is de Marco Polostraat met om de hoek de Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West. Karrenverhuurderij K.C. Smit, Marco Polostraat 232. Helaas heb ik geen 'spannende' verhalen over dit bedrijf."

Niet goed, wel leuk

Er zijn ook inzendingen niet goed, maar die zijn minstens zo leuk. "Bij het zien van de nieuwe raadplaat dacht ik aan de Hoofdweg, bij de Postjesweg", denkt Hanneke Hommersom.
W. Meijerink komt op dezelfde plek uit: "Ik ben geboren in de Baffinstraat 1936. Tot 2015 was ik nog in mijn ouderlijk huis, omdat mijn broer daar is blijven wonen. Volgens mij is het de Hoofdweg/hoek Postjesweg. Ik kom daar nog regelmatig."

Maria Magdalenakerk

Bert Hoffschlag mikt op de Spaarndammerstraat: "De raadplaat is voor mij in de Spaarndammerstraat tegenover de toen nog Maria Magdalenakerk. Het verhuurbedrijf ken ik niet zo goed. Vlak ernaast zit een dierenarts. Ik woonde vlak bij het Westerpark, en in de zomermaanden liep je dan onder het viaduct naar het Brediusbad, ik praat over de jaren 50."
En Lauren Houttuin denkt Halmaheirastraat vlak bij de Insulindeweg. "Mijn oma en opa woonden in die straat en mijn vader is er geboren."

De nazit

Zoals ook bijna gewoonlijk is er ook weer een nazit van de vorige raadplaat, de Des Présstraat. Te beginnen bij Mart Westerborg, die dit bovendien combineert met de raadplaat van de Marco Polostraat. "Mijn ouders trouwden in 1936 en kregen een woning in de Des Présstraat 9-2 hoog. Mijn zuster (1938) en ik (1947) zijn daar geboren. Het lijkt erg op de kleurenafdruk in de laatste krant. (hoek Cornelis Kruzemanstraat/Des Présstraat)."

Handrem net onder het zadel

"In 1951 zijn we verhuisd naar de rand van Amsterdam, Majoor Fransweg. Wij keken tot Halfweg over het toen opgespoten land, waar later Slotermeer en Geuzenveld gebouwd zijn. Als mijn vader het een en ander te verplaatsen had, dan huurde hij een bakfiets en als ik me goed herinner was dat in de (raadplaat) Marco Polostraat. Er waren daar volgens mij een aantal van deze verhuurbedrijven. Bakfiets rijden was bepaald geen luxe, het was een doortrapper, geen versnellingen erop, handrem net onder het zadel. Die ouwe trapte zich het rambam op dat ding."

Melkhandelaar Zuidervaart

Wim Neuhaus had de foto van de Des Présstraat ingestuurd, las de reacties en één viel hem op: "Als inzender van de voorlaatste raadplaat vond ik het leuk om een reactie te lezen van de schoonzoon van de melkhandelaar die in het hoekwinkelpand zat in de Des Présstraat. Ik was eigenlijk vergeten welke winkel dat ooit in 'mijn tijd' (vijftiger jaren) was, totdat ik "o ja!" mompelde na de mededeling dat melkboer Zuidervaart daar ooit gevestigd was. Mijn ouders betrokken zelfs melk van hem, zij het dat hij niet zelf, maar een knecht het zware werk aan huis liet doen om de zuivel aan de man te brengen."

R.k. of prot. chr.

"In die tijd speelde het bij een aantal buurtbewoners nog een rol of een winkelier r.k. was of prot. chr. Dat laatste was bij ons en Zuidervaart het geval, terwijl toch de roomse melkwinkel dichterbij was. Toch moesten in de vakantietijd de collega-winkeliers in een buurt samenwerken en elkaar afwisselen gedurende enkele weken in de zomervakantie, om met de kar op een centrale plek alle buurtbewoners te bedienen. Mij werd onlangs nog verteld dat iemand dacht dat er later een strijkinrichting in het bewuste hoekpand gevestigd was. Of dat echt zo was weet ik niet."

En dan is er die leuke uitsmijter van Wim: "Het lijkt mij inderdaad nuttig om niet meer mijn naam als inzender te vermelden als dat weer eens voor mocht komen, want er zijn Koningen, Mollen en Eschers die scherp te werk gaan en een te goed geheugen hebben."

Lijn 12

Theo Bakker reageert in de nazit op een vorige nazit: "Nazitter Rob Philip meent dat het niet juist is dat lijn 12 langs de Haarlemmertrekvaart reed. Ik kan Rob verzekeren dat hij met zijn lijn 18 wel gelijk heeft, maar dat ver daarvóór wel degelijk een lijn 12 van het Nassauplein naar Sloterdijk reed. Dat was in 1917 de opvolger van de laatste paardentram in Amsterdam, die dezelfde route reed. Er bestaat zelfs een foto van (bijgesloten). Om dit te ondersteunen kan altijd de site van de Amsterdamse Tram geraadpleegd worden: http://www.amsterdamsetrams.nl/lijnen/lijn12.htm.

Dominicusmulo

Ook leuk om te vermelden: in de Marco Polostraat zat een bakfietsenverhuurder, maar er was ook de Dominicusmulo. Op geheugenvanwest.nl staan daar de nodige reacties over. Zoals van Willy van der Heide, die schrijft: "Tijdens mijn Dominicusmulotijd (1950-1954) in de Marco Polostraat zat ik 's avonds op de huiswerkklas van pater Dury in de Cornelis Dirkszstraat en later bij de Liefdekerk. Daar kon je onder leiding van genoemde pater je huiswerk maken. Persoonlijk vond ik dat een groot succes, want pater Dury werd vergezeld door aankomende onderwijzers, dus je kon alles vragen. Was je huiswerk klaar, dan konden wij een keus maken tussen een aantal Bob Evers boeken. Ze hadden meerdere exemplaren dubbel. U kunt zich natuurlijk wel voorstellen dat mijn huiswerk snel af was!! Al met al was deze huiswerkklas dus een succes, want meerdere klasgenoten hebben daar gebruik van gemaakt."

Kees Out

Volgens ons heeft Piet Veenboer ook op deze mulo gezeten en die laat op geheugenvanwest.nl weten dat hij al jaren op zoek is naar Kees Oud. "Ik zoek al jaren naar Kees Out. Wij hebben samen in de jaren '50-'54 op de Dominicusulo gezeten in de Marco Polostraat in West. Na 1954 is hij nog kort een collega geweest bij de Hollandse Stoomboot Maatschappij aan de O. Handelskade in Amsterdam. Hij woonde toen in de Witte de Withstraat 32 in West. Zijn vader had daar een zuivelzaak. Ik ben hem uit het oog verloren, maar ik hoop deze manier iets van hem te weten te komen."
Vraag aan Piet: heb je Kees al gevonden?

Nieuwe raadplaat

Aan de ene kant maken we het deze keer lastig, aan de andere kant ook weer niet. Deze foto van deze statige villa is namelijk gemaakt rond de vorige eeuwwisseling en inmiddels staan er huizen omheen en loopt er een drukke straat voorlangs. Dat maakt het lastig. Aan de andere kant heeft deze villa een geweldige geschiedenis en het huis bestaat nog steeds.
Uw oplossingen kunt u sturen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Mijn leven in de Jordaan (1)

Van Albert Ticheler kregen we een geweldig artikel over zijn leven in de Jordaan. We besteden er in drie afleveringen aandacht aan. Vandaag deel 1.

door Albert Ticheler

Ongeveer 7 maanden geleden schreef ik over mijn tijd als provinciejongetje in Kattenburg. Ik schreef toen dat we met 11 personen in Kattenburg woonden en dat ik als 23 zou beginnen in de Jordaan.
Ik moet nog even een anekdote kwijt over mijn laatste jaar op de lagere school. Vanuit Kattenburg ging ik naar de Bernardusschool op de Stadhouderskade. Het was een fraterschool waarop jongens zaten die uit geheel Amsterdam kwamen. Ik stapte bij het Gartmanplantsoen uit de tram en was dan vlak bij school. De school was echt een leerfabriek. Elke maand kreeg je een rapport, dat door een van de ouders getekend moest worden.
In de laatste klas (toentertijd klas 6) kregen we ook muziekonderricht en meer geschiedenis. Op een ochtend zei de klassenbroeder ons dat er even later een pater zou komen die ons een aparte les zou geven. Hij zei dat het een pater jezuïet was. Deze pater vertelde ons in een half uur tijd hoe het maken van kleine kindjes in zijn werk ging.

Heel neutraal

Hij deed dat heel neutraal en besloot dat het hierbij belangrijk was dat je dit niet deed als je niet erg veel van elkaar hield. Daarna verliet hij het lokaal. Tijdens en direct na dit verhaal was het doodstil in de klas en zover ik mij kan herinneren werd er niet veel door de jongens over gesproken.
Achteraf is het verbazingwekkend dat zoiets in 1948 op een katholieke school werd gebracht.

Erotiek was mij onbekend

Na de Bernardusschool ging ik naar de St Jozef Mulo in de Van Ostadestraat. Ik moest dan bij het Gartmanplantsoen overstappen op bijvoorbeeld lijn 16. Ook deze school was een leerfabriek, maar daarover vertel ik later nog wel. Ondanks mijn voorlichting op school bleef de erotiek van het dagelijkse leven mij onbekend en ook welke invloed dat kon hebben op mijn leven.

Het was, denk ik, het najaar van 1949. In ieder geval was het om 18.00 uur 's avonds al donker. Omstreeks die tijd zaten we allemaal aan tafel te eten. Na het eten gingen normaal gesproken mijn jongste broer en de vijf jongere zusjes naar boven en naar bed. Mijn jongere broer en ik mochten dan nog wat opblijven. Deze avond zei mijn vader dat mijn jongste broer niet naar boven moest gaan, maar even moest wachten.
Toen de rest van de familie boven was zei hij dat wij onze jassen moesten aantrekken. Er stonden twee koffertjes in de gang die hij oppakte, waarbij hij zei dat wij die nacht ergens anders zouden slapen.

Met twee trams

We gingen met twee trams mee en kwamen in een verlaten straat waar een groot gebouw was met een grote poort. We gingen naar binnen en kwamen in een hal waar een broeder in een kantoortje zat. Mijn vader stelde mijn jongere broer en mij aan de broeder voor en zei toen tegen ons dat hij zondag weer langskwam. Hij ging met mijn jongste broer de poort weer uit de straat op. Hij bracht hem naar een gebouw aan de andere kant van de Elandstraat, waar hij werd ondergebracht in een tehuis dat geleid werd door nonnen. Wij werden door de broeder via een betegelde binnenplaats naar een zaal gebracht waar een 35-tal jongens aan tafeltjes zaten, terwijl een broeder een spannend verhaal voorlas.

De zaalbroeder

De broederportier noemde onze namen en zei dat wij vanaf nu hier zouden wonen. De zaalbroeder verwelkomde ons en gaf aan dat wij konden gaan zitten opdat hij zijn verhaal kon afmaken. Deze zaalbroeder bleek achteraf Felicianus te heten. Hij begeleidde ons met de andere jongens om 21.00 uur naar een slaapzaal. De slaapzaal was heel hoog en verdeeld in zogenaamde chambrettes. Dit waren houten hokjes van ca 2 x 2,5 meter. De bovenkant was afgedekt met stevig kippengaas en de verlichting was alleen de zaal/plafondverlichting, die centraal door de broeder geregeld werd.

Snapslot

De toegangsdeur naar de chambrette ging met een zogenaamd snapslot, zodat de surveillanten elk ogenblik binnen konden komen. Op het bed lag een stromatras met kort gehakte strovulling. De tijk was van stevig linnen en aan weerszijden voorzien van handvatten. Je moest het matras elke dag omkeren en dat was voor magere mannekes een zwaar karwei. Als je goed wilde liggen zonder van het matras te rollen, moest je met je hakken een paar dutsen in het liggedeelte trappen.
Erbovenop lagen schone paardendekens en een laken. Als je in je bed lag liep de broeder-surveillant nog even rond en deed dan het licht op nachtstand. Om 06.15 uur liep dezelfde broeder dan weer door de gangpaden en riep dan plotseling: "Geloofd zij Jezus Christus", waarna uit de chambrettes gemompeld werd: "In alle eeuwigheid, amen."

Schoenborstel

Daarna liep hij door de gangpaden en roffelde met de harde kant van een schoenborstel op de deuren die nog niet opengedaan waren door de jongens. Je ging je wassen aan een rij wasbakken waar natuurlijk alleen koud water beschikbaar was. Vooral in de winter wanneer je je daar met je blote bovenlijf in een koude slaapzaal stond te wassen was dit geen pretje.
Een kwartier later zat je in de kapel, want je moest wel eerst een mis volgen. Misdienaars waren er genoeg in Huize Aloysius zoals deze instelling in de Elandstraat in de Jordaan werd genoemd.

Ontwrichte gezinnen

Het was een tehuis voor jongens uit, zoals men dat noemde, ontwrichte gezinnen. Dat werd mij later pas verteld en duidelijk. Ik begreep toen ook dat gezinslid nummer 11 uit Kattenburg de reden was voor de ontwrichting in onze familie. Mijn kleren, schoenen, handdoeken etc. kregen allemaal een ingenaaid nummer (23); dit werd allemaal verzorgd door een oudere broeder, die Eustachius heette.

Beheerst, vrij bewind

De broeders voerden een beheerst maar toch vrij bewind. Ruzies tussen de jongens werden door de jongens onder elkaar uitgevochten en alleen als het de spuigaten uitliep dan grepen zij pedagogisch in. Er waren oudere broeders, maar ook jongere broeders, die soms maar tien jaar ouder waren dan wij.
Deze broeders gaven geen onderwijs en wij gingen 's morgens dan ook naar onze verschillende scholen. Een groot aantal zaten er op de ambachtsschool. Deze jongens waren meestal wat zwaarder gebouwd en dat gaf hun een voordeel als er gevochten moest worden. Ikzelf was niet erg goed in het vechten, maar mijn jongere broer Wim wel. Die kwam mij als het nodig was ook te hulp.
Door mijn leeftijd kon ik niet in de jongste groep de Bijenkorf blijven en ging ik naar de Zonnehoek. Voor grotere jongens was er dan de Burcht en de 18-21-jarigen hadden de Club.

Er was tussen de groepen weinig communicatie.

Het stenen eengezinsarbeidershuis deed zijn intrede in de Vogelbuurt

Van Dirk Roos, Voorzitter VvE Vogeldorp, kregen we toestemming om in een aantal delen aandacht te besteden aan het ontstaan en de geschiedenis van Vogeldorp in Amsterdam-Noord, de wijk die recent in de spotlights stond door een documentaireserie over de armoede die hier heerst. Deze artikelen zijn afkomstig van www.vogeldorp.nl. Vandaag deel 1.

Noodzaak & Droom

door G. Voet

Nog in het midden van de 19e eeuw was de plek waar nu Vogeldorp ligt een waterplas, de Nieuwendammerham genaamd. Een soort ruime bocht van het IJ, ten oosten van de landtong Volewijk.
Door de eeuwen heen kampte Amsterdam met het dichtslibben van de vaargeul in het IJ en van de havens. Oorzaak hiervan is het nog aanwezig zijn van eb en vloed. Want tot 1872, het jaar dat de Oranje Sluizen in gebruik werden genomen, stond het IJ nog in open verbinding met de Zuiderzee.
In de loop van de 19e eeuw nam het scheepsverkeer toe en de vaartuigen werden groter. Het probleem van het dichtslibben werd steeds ernstiger. De stad had continu behoefte aan geschikte baggerstortplaatsen.

Bodem

Toen rond 1868 de Buiksloterham en de Buitenvolewijkslanden reeds waren volgestort, bleef als laatste mogelijkheid de Nieuwedammerham over. Maar dit water werd gebruikt door de Amsterdamse Kanaal Maatschappij (A.K.M.). De gemeente verdacht de A.K.M. van oneigenlijk bezit van de ham en eiste het gebied op, omwille van het algemeen belang. Na veel gekissebis en een door het Rijk georganiseerde ruil, mocht Amsterdam er voortaan kosteloos bagger dumpen. In 1870 was de waterplas veranderd in een polder. De stad Amsterdam aarzelde geen moment toen zij de mogelijkheid had om het nu ingepolderde land te kopen en was weer een grondgebied rijker. Immers, daar lag een prachtig nieuw stuk industriegebied en zonder het toen te weten… de toekomstige grond onder Vogeldorp.
In 1996 heeft de actiegroep voor het behoud van Vogeldorp in de Derde Vogelstraat nr. 14 een grondboring tot op 7 meter diepte uitgevoerd om de bodemkwaliteit te testen. De onderliggende bodemlagen bestaan voornamelijk uit diverse soorten klei, afgewisseld met dunne laagjes veen en op 4,40 meter diepte een 15 cm dikke zandlaag. Het bovenste gedeelte bevat een zandpakket van een halve meter. Dit leek een voldoende waarborg voor de huizen van lichte constructie, uitgevoerd op betonplaten.

Armoede en overbevolking

Halverwege de 19e eeuw nam de bevolking in Amsterdam met ongekende sprongen toe. Tussen 1870 en 1900 verdubbelde het aantal inwoners van circa 265.000 naar 510.000. De grote trek naar de stad was het gevolg van de landbouwcrisis en de industriële revolutie. De werkloosheid op het platteland was enorm. De stad Amsterdam kon al deze nieuwkomers onmogelijk een fatsoenlijk onderdak aanbieden. Amsterdam was in die tijd veel kleiner dan nu. Ter hoogte van de Nassau-, Stadhouders- en Mauritskade hield het wel op. Woningbouw was een puur particuliere aangelegenheid. En wetgeving op dit gebied was er nog niet.
Door de enorme woningschaarste waren de huurprijzen voor veel mensen onbetaalbaar. Velen zochten hun toevlucht tot vaak vochtige kelders of kamertjes in krotwoningen, doorgaans verstoken van daglicht, toilet, stromend water en verwarming. Arbeiders (inclusief vrouw en kinderen) hadden bovendien een zeer karig loontje. Het eten was eenzijdig en men leefde dus in elk opzicht ongezond. De gemiddelde leeftijd van een arbeider was 35 jaar. Dat velen het verdriet probeerden te verlichten door de alcohol was niet zo verwonderlijk.
In die overvolle stad braken er regelmatig epidemieën van cholera uit. Hoewel de arme bevolking hier voornamelijke de dupe van was, trof dit natuurlijk ook de gegoede burgerij. De stad was klein; rijk en arm woonden pal naast elkaar. Geen wonder dat ook deze laatsten verontrust raakten over de onhygiënische toestanden.
Door toedoen van onder meer dr. Samuel Sarphati werd er een reinigings- en afvaldienst opgericht (1848) en een begin gemaakt met het duinwaterleidingnet (1853). Ook richtten particulieren in 1852 en 1853 reeds de eerste woningbouwverenigingen op ter verbetering van de woonomstandigheden van arbeiders: een druppel op een gloeiende plaat nog. Maar nu kwam toch ook de gemeente langzaamaan tot het inzicht dat ook zij voor dit probleem verantwoordelijk was. Bij de oprichting van de Vereeniging tot het bouwen van Arbeiderswoningen, in 1875, bood de gemeente hulp in de vorm van kosteloze architecten, terreinen, de aanleg van straten en een som geld. De feitelijke woningbouw en het beheer bleef een particuliere zaak.

Socialistisch elan

Grote inspirators zoals Troelstra en Domela Nieuwenhuis maakten de arbeiders bewust van hun eigenwaarde en van hun betekenis voor de maatschappij. Mede door hun toedoen ontstonden er veel (vak)verenigingen, gericht op de ontplooiing van de arbeider. Deze ontwikkeling leidde ook tot het ontstaan van de eerste woningbouwverenigingen volgens het bekende Nederlandse zuilensysteem. Toch was de huur die deze woningbouwverenigingen vroegen vaak te hoog voor de mensen met onregelmatig werk.

Gelukkig werd in 1902 de Woningwet aangenomen: een grote stap voorwaarts in de verbetering van de volkshuisvesting. Vanaf dat moment konden gemeenten de woningbouw zelf ter hand nemen. De stad mocht ingrijpen wanneer de particuliere woningbouwers te weinig of slecht bouwden of te hoge huurprijzen vroegen. In de vorm van goedkope leningen bood de overheid steun aan woningbouwverenigingen. Een belangrijk bijkomend voordeel voor de gemeente was de mogelijkheid om met een exploitatietekort te mogen verhuren. Het Rijk en de gemeente namen hiervan elk de helft voor hun rekening. Vanaf nu konden ook de minderbedeelden een deugdelijke woning huren.

De Tuinstadgedachte en de uitvoering daarvan

Ir. A. Keppler

In 1914 werd Floor Wibaut, een zakenman en overtuigd socialist, benoemd tot de eerste wethouder van Volkshuisvesting in Amsterdam. Samen met de directeur van de pas opgerichte Stedelijke Woningdienst, ir. A. Keppler en burgemeester J.W.C. Tellegen (1915), voormalig hoofd van Bouw- en woningtoezicht, was dit een zeer strijdvaardig driemanschap. Ze waren gelijkgestemd in hun geloof in de sociaal-democratie. Gesteund door een groot aantal socialistische raadsleden stonden ze sterk genoeg om hun idealen op het gebied van sociale volkshuisvesting te verwezenlijken. Alle drie waren ze bovendien geïnspireerd door de uit Engeland overgewaaide tuinstadgedachte: een nieuwe visie op stadsontwikkeling die in 1898 door Ebenezer Howard uiteen was gezet in zijn boek 'Tomorrow, a peaceful path to real reform'. Deze beweging kreeg in verschillende Europese landen bijval.

De 'droom van Howard'

Kortweg kwam de tuinstadgedachte erop neer dat in een landelijke omgeving, niet ver van de bestaande, oude steden, kleinere autonome steden moesten verrijzen. Daar zou de mens van zowel natuur als cultuur kunnen genieten. Zo zou men profiteren van de voordelen van de stad én die van het platteland. Daarbij was de grondprijs laag, waardoor een goede woning ook binnen het bereik van de arbeider zou komen. De vaak uit laagbouw bestaande wijkjes die op zichzelf een eenheid vormden, zouden in een parkachtig landschap worden gebouwd. Door gemeenschapsvoorzieningen in de directe omgeving zouden vriendschappen en verenigingsleven tot bloei kunnen worden gebracht. En het contact met de natuur zou het gevoel van eigenwaarde doen toenemen. Uiteindelijk zou het een nieuwe maatschappij brengen, waarin eenieder zich ten volle kon ontplooien.
Keppler, van de Amsterdamse Woningdienst, was een groot pleitbezorger van het idee om eengezinswoningen met veel ruimte en groen te realiseren voor de arbeider. En hij merkte op "dat een stapelplaats van menschen op een andere wijze dient te worden geconstrueerd dan die van vaten of zakken".
In 1915 bleek het woningtekort nog steeds meer dan nijpend. De door de woningbouwverenigingen geplande uitbreiding verliep stroef. En particulieren verloren hun interesse vanwege de strakke bouwverordeningen. Omdat de gemeente volgens de Woningwet nu zelf bouwplannen mocht ontwikkelen, nam het bevlogen socialistische trio hun kans waar. In 1915 stemde een grote meerderheid van de gemeenteraad in met het voorstel van Wibaut om, verspreid over de stad, 3500 arbeiderswoningen te bouwen. Het werden gemeentewoningen waarvan de huur onder de kostprijs mocht worden berekend, bestemd voor de allerarmsten.

Hevige kritiek

Omdat de uitvoering van dit ambitieuze plan enige jaren zou duren en de woningnood steeds groter werd, mede onder invloed van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), leek het Wibaut praktisch om 650 noodwoningen neer te zetten voor de duur van tien jaar. Dit plan stuitte op hevige kritiek, juist van zijn eigen partijgenoten. Het deed immers afbreuk aan het beoogde ideaal om woningen van hoge kwaliteit te bouwen.
Om het tijdelijke karakter van de nooddorpen te waarborgen, werden ze gesitueerd in geïsoleerde ofwel voor industrie bestemde gebieden. Ze zouden in de toekomst plaats moeten maken voor het originele bestemmingsplan. Aan de overkant van het IJ lag nog braakliggende grond in overvloed. Voor Keppler en Wibaut was dit sowieso de aangewezen plek waarop zij hun ideaal van laagbouw zouden kunnen realiseren. De lage grondprijs vormde een sterke troef om de bezwaren van veel tegenstanders ten aanzien van de hoge kosten te ontkrachten. Het is aan A. Keppler te danken dat de gemeentebouw in oud-Noord nooit hoger is dan twee woonlagen plus zolderkap. Zelfs vaak slechts één laag plus zolder.

Noodwetverordeing

Middels een noodwetverordening werden in 1918 de wijken Vogeldorp en Disteldorp gebouwd, oorspronkelijk voor de duur van tien jaar. Als architect werd B.T. Boeyinga genoemd, een tweede-generatie architect van de Amsterdamse School. Hij was de verantwoordelijke architect van Tuindorp Oostzaan. Omdat de huizen daar veel gelijkenis vertonen met Vogel- en Disteldorp wordt aangenomen dat hij ook hiervan de schepper is. Mogelijk is het feit 'nooddorp' de oorzaak van het ontbreken van zijn naam.
In 1920 sprak Ir. Keppler de trotse woorden: "Wat niemand ooit heeft kunnen verwachten is verwezenlijkt. Het eengezinsarbeidershuis uit steen heeft zijn intrede in de hoofdstad gedaan."